maandag 24 november 2008

donderdag 24 mei 2007

Bobby en de Boor

Het lemmet scheert rakelings over mijn huid.

Het is twee voor zeven.
Dadelijk zal ik hem weer zien.
Elke morgen, stipt om zeven uur,

sloft hij voorbij. Grijzig, bedaard.
In een tijdspanne van een paar tellen zal hij mijn badkamerraam omtoveren tot een lichtbeeld van vroomheid.
De zwarte paternoster geklemd tussen zijn twee knokige, met ouderdomsvlekken bedekte handen,het hoofdschudden van een Parkinsonpatiënt in een vergevorderde fase, zijn onwerkelijke, niet meer van deze eeuw, lakense pak: ziedaar de karakteristieken van mijn ochtendlijke vriend.
En altijd, heel even, blikt hij opzij en geeft me een glimlach cadeau, een onwereldse glimlach.

Zolang ik in het godvergeten stadje H. woon, is zijn voorbijgaan het enige ogenblik van rust waarop tijd lijkt stil te staan. Drie jaar, op werkdagen, zondagen en feestdagen, is er maar één constante in mijn leven geweest.
Dit oude mannetje, de verpersoonlijking van een devoot leven.
Ik spoel mijn scheermes af onder overvloedig stromend warm water.

Uit een vrij diep sneetje in mijn bovenlip druppelt bloed.
Het mengt zich in kleine meandertjes met de vlokken scheerschuim.
Ik zucht.

Neemt deze kelk en drinkt hier allen uit.

Mijn hand reikt al naar het aluinblokje.
Op het wandklokje in mijn badkamer nadert de secondewijzer de gotische twaalf.

Vreemd. Een volle vijf minuten blijf ik de straat observeren.
De enigen die ik zie zijn enkele mensen die zich al naar hun werk haasten, de postbode die de kranten bedeelt en een straatveger.
Hierop besluit ik dat de bejaarde man zich verslapen heeft.
Het bloeden is gestopt. Ik veeg het overtollige scheerschuim van mijn gezicht,

kleed me verder aan en ga naar de keuken om mijn ochtendkoffie te drinken.

Zwart met een klontje. Eén sigaret.
De voorpagina van de krant vermeldt niets nieuws, althans, niets wereldschokkends.
Zoals gewoonlijk bekijk ik de overlijdensberichten.
Mijn vader, God hebbe zijn ziel, las deze altijd het eerst.
Curieus hoe elke zoon onwillekeurig de gebruiken van zijn vader overneemt. Zijn wortels zijn zeer de mijne.
Ik merk een fotootje op van een oude man, die ik herken als mijn godvrezende voorbijganger.
Dezelfde glimlach, ook de ogen. Zevenentwintig december, gisteren dus, ontsliep in de Heer, mijnheer Albertus Xavierus Maria Maris, geboren op 28 april 1899.

Heeft de ouwe rakker toch de eindmeet gehaald, denk ik bij mezelf.
Ik vouw de krant netjes weer op. Hoog tijd om te gaan werken. Ik grabbel naar mijn jas.
Buiten klettert de kou als glimmend metaal op mijn ogen.
Op het station aangekomen verneem ik dat alle treinverkeer lam ligt,

omdat de meeste wissels bevroren zijn.
De directie verontschuldigt zich. Over een paar uur zullen er weer treinen rijden.

De reizigers worden verzocht geduld te oefenen.
Reizigers. Dit woord, dit bijzondere woord, dat doet denken aan verre landen en exotische bestemmingen, is hier niet op zijn plaats. Dagdromend zie ik mezelf door een woestijn lopen, de oase tegemoet.

Opnieuw zal ik de smaak van water proeven en in de schaduw op krachten komen.
De meute die hier in de stationshal bijeengepakt zit en staat, heeft eerder iets van een treurige begrafenisstoet, gestrand in tijd en ruimte. Speciaal voor jou, Albertus. Ere wie ere toekomt.

Het stationscafetaria puilt uit van het volk en ik besluit iets warms te gaan drinken in 'De Maretak’,

een café dat wordt uitgebaat door twee lesbiennes, recht tegenover het station.
Vooral in de vroege uurtjes is dit een plaats waar allerhande mensen zich ophouden.
Helga en Femke doen hun deuren open als de nachtclubs de hunne sluiten.
Het uitschot van het slaperige stadje H. vegeteert hier.
De toog zit van 's morgens tot 's avonds vol met bierdrinkende facteurs, werkloze medemensen, pooiers met hun hoertjes en de laatste tijd opvallend veel buitenlanders met een Slavisch accent en vervaarlijke snorren.
Deze laatsten hebben een merkwaardig spel geïntroduceerd dat aan verschillende tafels wordt beoefend.
Elke keer als de politie binnenkomt voor een routinecontrole verdwijnt het echter, samen met de grote sommen geld, in hun jaszakken.
Bij het binnenkomen merk ik een man op die in een hoekje zit en thee drinkt.

Mijn blikveld kruist het zijne en een merkwaardig gevoel van herkenning maakt zich van mij meester.
Ik bestel een koffie aan Femke. Ze morst een beetje en om het te vergoelijken maak ik een flauw grapje.
Ze glimlacht afwezig naar me. Best een leuke meid... Lurkend aan mijn sigaret word ik loerende blikken gewaar.
Een man in de hoek bekijkt me belangstellend.

Ik hou er niet van als iemand me zit te bespieden.
Ik haal mijn neus op en begin een gesprekje te voeren met Femke, maar ze heeft het te druk met klanten te bedienen. Achteloos begin ik de flessen op de schappen achter de toog te tellen.
Zevenenveertig, waarvan achttien vol. Eén minder dan eergisteren.
Onwillekeurig dwalen mijn ogen terug naar de hoek. De man is weg.
Nieuwsgierig slenter ik met mijn koffie in mijn hand naar het tafeltje waar hij gezeten heeft.
Er ligt een krant opengeslagen op de pagina met de overlijdensberichten.
De annonce van Albertus' dood is met een rood potlood omcirkeld.

Merkwaardig. Ik zet mijn kopje neer en stap naar buiten, de vrieslucht tegemoet.
Op straat zie ik een hond lopen, een geelachtige, driepotige hond.

Zijn huppelende pasjes doen me bijna in de lach schieten, het is echt dolkomisch. Even bekijkt hij me vals, alsof ik degene ben die zijn vierde poot heeft gepikt. Dan verdwijnt hij, zacht jankend, om het hoekje.

Soms komt het allemaal weer terug. Herinneringen van jaren geleden borrelen als gasbellen in mijn denkmoeras naar boven. Destijds was ik komen aanwaaien in het duffe stadje H., vol van een onwezenlijk verdriet dat allang niet meer het mijne kon zijn. Met zwartomrande ogen zie ik mezelf rondlopen, als in een film, dwars doorheen een karnavalstoet, één brok ellende tussen al die feestvreugde, één brok negativiteit, zinderend van leed, mensen omverduwend met mijn zwartgalligheid. Gelukkig ligt die periode nu ver achter mij.
De zwijgzaamheid die tot op heden aan de dag leg, is nog een erfenis van die rampzalige tijd.
Mijn mannenhart brak indertijd met zo'n rotklap dat de barsten me ver vooruit waren gesneld.
Maar dat was toen en dit is nu. Alles komt wel goed. Geduld, hart, geduld.


De hele dag zegt mijn baas geen woord tegen me. Twee uur te laat is in zijn ogen zo'n grote, grove nalatigheid jegens de mensheid dat zijn ogen boekdelen spreken. Hij heeft de banvloek over me uitgesproken.
Dat het bevroren treinverkeer de oorzaak is van mijn late komst wou hij zelfs niet weten.
Op het einde van mijn werkdag wens ik hem een prettige avond verder. Hij kijkt zelfs niet eens op. Kerstmis, het feest van vrede. Halleluja!!

Op het moment dat ik mijn thuisstraat inloop, merk ik dat er iemand langs me is komen lopen.
Ik word wat ongemakkelijk en durf niet goed opzij kijken. Je weet maar nooit, de dag van vandaag.
Vanuit mijn rechterooghoek herken ik de man die ik vanmorgen in 'De Maretak’ aan het tafeltje gezien heb.
Onwillekeurig versnel ik mijn pas, maar de man, die een flink stuk groter is dan ik, houdt me goed bij.
Net voor ik aan mijn deur ben aangekomen, tikt hij me ruw op mijn schouder.

'Meneer?'
Ik hou mijn adem in. De koude heeft mijn kaken ietwat stijf gemaakt en het is moeilijk om dadelijk een antwoord te geven.
'Ja?' Het komt er enigszins moeizaam uit.
'Heeft u een minuutje voor mij?'
De man kijkt me onderzoekend aan.
Nu ik hem van dichtbij zie, valt me op hoe lelijk hij eigenlijk is.

Hij heeft hoge jukbeenderen, die hem een zeer onaards uitzicht geven.
Zijn lippen zijn zo smal alsof een vlijmscherp mes een kerf in zijn kleien gelaat heeft gemaakt; een volmaakt horizontale snede onder zijn licht gehaakte neus.
Zijn oren steken als schotelantennes uit en schijnen ieder geluidje te registreren met schier onmerkbare beweginkjes.
Zijn kortgeknipt, bijna gemillimeterd haar geeft hem iets streng militairs.
Zijn koolzwarte ogen boren zich dwars doorheen de mijne, en het lijkt wel of zijn blik dwars door mijn schedeldak gaat.
Intuïtief weet ik dat men tegen deze man maar beter niet kan liegen.
Dit is een Ridder van de Ronde Tafel, zijn queeste naar de waarheid volbrengend.
'K..komt u binnen,' stamel ik.
'Bobby!!' 's Mans stem schalt door de straat; het klinkt als de misthoorn van een oceaanstomer.
Uit een portiek aan de overkant van de straat kwispelt de driepotige hond vrolijk naar de man.
'U heeft geen bezwaar dat mijn hond mee naar binnen komt?' 'Natuurlijk niet, komt u maar,' antwoord ik wat schijnheilig.
Ik heb het niet zo op dieren begrepen.
Ondertussen heb ik de voordeur geopend en met tegenzin laat ik het beest voorop gaan.
Binnengekomen draai ik de verwarming open.

De man gaat zitten en het krukkige, gele monster nestelt zich aan zijn voeten, tevreden knorrende geluidjes voortbrengend. Omslachtig schraapt de man zijn keel.
Zijn adamsappel gaat woest op en neer. Hij kijkt me doordringend aan.
'Het spijt me u te moeten vervelen. Ik kom namens een goede vriend van me.
U kent hem vast wel. Hij is gisteren tot de Heer geroepen en hij heeft me gevraagd u dit te geven.'
De paternoster was in een vettig, bruin pakpapiertje gewikkeld.

Ik moet wel heel vreemd gekeken hebben want in een open lach toont hij mij een hagelwitte tandenrij.

'Wie ik werkelijk ben, speelt geen rol. Men noemt mij De Boor.
Dat zou moeten volstaan voor u. Namen zijn bedrieglijke etiketten en bevatten zelden enige waarde.
Op de één of andere manier bent u Albertus opgevallen en hij heeft me dan ook de opdracht gegeven u iets te overhandigen waardoor u hem niet zult vergeten.
Albertus was mijn beste vriend en ik kon hem dit dan ook niet weigeren.
U bent natuurlijk niet verplicht om dit geschenk aan te nemen.'

Even pauzeert hij, alsof hij wacht op een goedkeuring om verder te gaan met zijn verhaal.

Maar dan staat hij op,

schudt mijn hand en verdwijnt, met zijn Cerberus, in de kristalkoude nacht.
Machteloos ook maar iets te ondernemen staar ik afwezig voor me uit. Ik open na enige tijd mijn hand,

waarin het zwarte kleinood brandt en bekijk het langdurig.
Eensklaps voel ik een zucht van verlichting doorheen mijn hele wezen gaan, alsof een last van mijn schouders afvalt en voor het eerst in mijn leven word ik het verlangen gewaar om te leven, om uit volle borst te schreeuwen met een ongebreidelde energie. Het nieuwe jaar, ik weet het zeker, zal me het zicht op horizonten leveren die ik nooit vermoed heb.
Met gloeiende wangen lig ik uren daarna nog wakker in mijn bed, luidop dromend van dingen die gaan komen...